(46) Slot (tp)

“Commissaris Vandamme was op zijn bureaustoel gaan staan om die spin te pakken die zich in een donker hoekje verstopte aan het plafond, in de hoek van zijn bureel. Niet verstandig, rekening houdend met de wieltjes onder zijn stoel die hun eigen leven leidden. Waggelend probeerde hij zijn evenwicht te houden terwijl de stoel van links naar rechts zwiepte. Hij had zijn Bostich-nietmachine opengeplooid, waarmee hij net tot aan het plafond kon. De spin, waarschijnlijk met de naam Sebastiaan, had hem zien aankomen en vluchtte weg nog voordat het projectiel hem kon treffen. De stoel sloeg achterover, en Vandamme kwakte op zijn gezicht tegen de grond.

Het klopt dat een mens sterretjes kan zien bij zo’n val, ook al overdrijven stripverhalen al eens bij het illustreren daarvan. Zijn rechterarm deed verschrikkelijk veel pijn, terwijl het bloed uit zijn neus gutste. De eerste ogenblikken kon hij niet rechtstaan, alsof hij aan de grond was vastgekleefd.

Bérengère, zijn secretaresse met een niet al te moderne voornaam, had de klap gehoord en kwam het bureel binnengestormd. Ze zag haar chef liggen. Een spinnetje liep langs zijn lichaam en verschuilde zich onder een grijze bureaukast. De arm van Vandamme lag naast zijn lichaam en was helemaal verwrongen. Een griezelig zicht eigenlijk, de voorarm overgeplooid in de verkeerde richting. Een stuk bot stak uit. De bediende schrok en repte zich een verdieping hoger om hulp te vragen van een paar collega’s van de dienst zedendelicten.

Toen ze ter hulp snelden vonden ze de commissaris bewusteloos op de grond. Bérengère belde de hulpdiensten terwijl haar collega’s Vandamme in een gemakkelijke positie probeerden te leggen. De laatste cursus eerste hulpverlening hadden ze gezamenlijk gevolgd, zo’n twee jaar geleden, maar het is bewezen dat, als een noodgeval zich voordoet, de meeste mensen niet meer weten hoe ze de slachtoffers moeten aanpakken. Gelukkig kwam de commissaris weer vlug bij bewustzijn, zij het duidelijk in shock.

“Mijn arm…” stamelde hij, en probeerde zicht te krijgen op de schade. De collega’s hadden die echter afgedekt met zijn jas, want het zicht erop zou hem nog meer van slag maken. Even later werd hij afgevoerd naar het AZ Sint Jan in Brugge waar hij de eerste zorgen kreeg toegediend.”

 

 

“Paul, de eersten zijn toegekomen!” Christa gilde zich bijna hees toen ze haar mede-auteur tot de orde riep. Het was tien voor zes, die dinsdagnamiddag achttien september. Ze waren de hele tijd bezig geweest om het parochiezaaltje klaar te zetten voor de eerste vergadering van Toneelkring “De Spelen van de Zeven Weeën”. Net geen vijftig leden hadden ze, en elk van hen wou zo graag een rolletje bij het volkse schouwspel dat naar traditie in première ging aan op de vooravond van Kerstmis.

Da goddier nooit lukken, Christa!” zei Paul, die maar bleef schrijven aan het verhaal. Het is niet makkelijk een stuk te schrijven waar elk van de negenenveertig acteurs een rol kon in spelen, en waarbij iedereen het gevoel kreeg gewaardeerd te worden voor hun jarenlange inzet in de vereniging. Christa haalde de schouders op. “We hebben toch ons best gedaan. Hoeveel personages hebben we uit onze duim gezogen? Hoeveel ‘hoofdrolspelers’ hebben we niet verzonnen? Leo, Francine, Rita, de Rat, Jack, Jente, Janne, Christje,… Al die inspecteurs. Bitsige commissarissen, klungelig hotelpersoneel. Af en toe eens een sexy scène. En ik weet dat jij er geen fan van bent, Paul, maar af en toe liet ik er eens eentje opdraven die een scheet liet. Werkt altijd op het podium. Als er vijf minuten niet gelachen wordt, laat er ene een scheet laten en de ambiance zit er weer in.”

Paul beaamde de woorden van zijn wijze co-auteur, maar was nu éénmaal geen man van veel woorden. Op papier, dat wel, maar ‘in real life’? Neen liever verstopte hij zich achter de coulissen. Maar één keer per jaar moest hij wel op de voorgrond treden toen hij samen met de mede auteur van dienst het verhaal voorstelde aan de leden van de vereniging. Hatelijk moment vond hij dat, zijn hart klopte tot in zijn schoenen.

Druppelsgewijs kwam de zaal volgelopen. Ze hadden vijftig stoelen klaargezet, maar al vlug bleek dat er een tiental tekort waren. Nieuwe mensen konden zich op die jaarlijkse startvergadering aanmelden als lid, en blijkbaar had het toneelstuk van tweeduizend zeventien succes gehad. Ze zagen onder andere een oud vrouwtje binnen strompelen met een rollator. Spontaan werd ze geholpen en naar de voorste rij geleid.

Christa vond dat het tijd was om de kas van de vereniging wat te laten aanzwellen. Ze ging naar het belendend zaaltje en bracht twee bakken Rodenbach binnen op haar speciaal ontworpen karretje. Onderaan stonden vier flessen cava, tussenin een massa glazen. Gretig kwam het publiek zich bevoorraden aan de democratische prijs van anderhalve Euro per glas. Een vergadering bijwonen kan de dorst danig opwekken.

Paul stond recht en voelde bij zijn eerste stappen dat zijn been haperde. Dat verdomde neurologische probleem ook weer, waar nog steeds geen oorzaak van werd gevonden. Hij voelde zijn hersenen bij wijze van spreken zwellen en ervoer een soort zwaarheid in z’n kop die hem al maandenlang zorgen baarde. Misschien was dit wel het laatste stuk dat hij had helpen meeschrijven, bedacht hij zich. Misschien, als men niet vond wat echt aan de hand was, zou dit wel eens het einde kunnen zijn van zijn schrijvende pen. Net zoals hij Leo in zijn verhaal een poging had laten doen om zich van kant te maken, net als hij de Rat tegen de muur had geknald in de Smedenstraat van Brugge. Hoe moeilijk was het de laatste tijd zijn gedachten te ordenen, de zaken realistisch in te zien. Een enkele traan welde op toen hij dacht aan zijn eigen ‘Francine’, de vrouw met wie hij oud wilde worden. Mocht het nu echt slecht aflopen, wat…

Hij kreeg geen tijd om verder te piekeren. Christa riep hem tot de orde, want ze kon het ritme niet aan waarmee ze flesjes moest ontkurken en tegelijk cava moest schenken. Wat laten stonden ze beiden van jetje te geven aan het karretje van ‘de catering’. Twee mensen die nieuw waren in de vereniging, want een paar maand voordien kenden ze elkaar amper van één of andere website waar mensen gratis een eigen weblog mogen opstarten. De voorzitter van de vereniging had hen gevraagd samen een stuk te schrijven met als titel ‘Sneeuw in Augustus’, een volkstoneel waarbij eenvoudige mensen zich eens goed konden amuseren op een winterse avond. Er was ook een derde auteur meegevraagd, maar die had zich na een paar hoofdstukken geëxcuseerd en had er het bijltje bij neergelegd. Die vluchtte nadien naar het mooie, maar dwaze land ‘Amerika genaamd waar ze zich amuseerde tussen de mensen met grootheidswaanzin, maar zo dom dat ze een varken kiezen als president.

Het barmhartige werk ‘de dorstigen laven’ was volbracht, en voorzitter Maurice (what’s in a name) Fabre ging zich in het midden van de tafel op het podium zetten. Hij had verdorie niks van werk verzet maar waande zich toch weer eens de belangrijkste figuur van de avond. Christa ging naast hem zitten, en Paul probeerde zich er te elfder ure vanaf te maken. Zenuwachtig dat hij was, niet te beschrijven. Hij zette zich naast zijn muze, op de derde rij.

Fabre opende de avond: “Beste aanwezigen, ik ben blij dat jullie zijn afgekomen op de…” Christa trok aan zijn slip. Oei, dat klinkt hier verkeerd. In Brugge noemen we dit kledingonderdeel ‘een sleppe’, we kunnen ons voorstellen dat ‘aan de slip van Fabre’ trekken een verkeerd beeld kan geven. Christa trok dus aan ‘zijn sleppe’, zijnde het stuk overhemd dat uit zijn broek stak. “Psst, Maurice, Paul zit nog in de zaal, roep hem er maar bij, want tenslotte heeft hij ook een woordje of twee meegeschreven aan het verhaal…” De voorzitter voelde zich er niet lekker bij dat hij was gestoord in zijn o, zo belangrijke speech, maar gaf toe aan het aandringen van Christa. “Paul, wat doe je daar in de zaal? Zet je hier, dat de mensen je lelijke tronie zien!” riep hij. De zaal schoot in de lach, want de stijl van hun voorzitter konden ze wel smaken. Paul stond recht, en mankte naar het podium waar hij zich installeerde op die wankele stoel die vroeger toebehoorde aan het interieur van tante Zulma zaliger, die haar hele inboedel had geschonken aan ‘De Spelen van de Zeven Weeën’. Het was dat of het containerpark…

Het woord kwam bij Christa, die goed van de tongriem was gesneden. Ze vertelde het verhaal ‘kort’ in geuren en kleuren. Al vlug was ze een halfuur bezig. Alle personages kwamen aan bod. Naar jaarlijkse traditie staken mensen hun hand omhoog als ze zich geroepen voelden dat bepaalde personage te vertolken. Toen Janne aan bod kwam, gingen vier handen spontaan de lucht in. Die van drie beeldmooie meisjes uit de parochie en die van Julien Knops. Die laatste moest dringend naar het toilet en vroeg om de zaal even te mogen verlaten. Ook voor het personage van Christine was veel interesse. Bij de mannen was Maurice erg in trek, want met zijn personage kon men echt het beest uithangen op het podium zonder ervoor scheef bekeken te worden.

Paul begon hevig te hoesten op het podium, een goeie truc om het woord niet te moeten voeren. Altijd meegenomen, zo’n ‘toneelkunst’. Hij sloot af met een paar zinnetjes, waarbij hij zich excuseerde voor het feit dat het verhaal niet helemaal was af geraakt. Het zou stoppen bij commissaris Vandamme, die afgevoerd werd naar het ziekenhuis na een ongelukkige val in zijn bureau. Hoe het verder zou verlopen met Preute en zijn Po, met de hereniging van Rita met Janne, met de eindeloopbaan van Leo, met de zwangerschap van Janne,… dat zou misschien voor een vervolgstuk zijn voor het toneeljaar tweeduizend negentien.

“Volgende week dinsdag worden de rollen definitief toebedeeld. Er zijn personages genoeg in het verhaal, waardoor iedereen aan de bak zal komen.” Dit waren ongeveer de enige zinvolle woorden die de voorzitter uitsprak.

 

 

Advertenties

45.Going home. ( Ch)

Jente klapt zijn smartphone dicht. Oef, eindelijk is heel die kermis hier voorbij. Mijn collega’s gaan naar huis met Maurice. Verwacht wordt dat hij niet langer zal aangehouden worden, maar dat het  gerecht de molen zal laten draaien. Ze zitten voor de laatste keer aan de ontbijttafel en eigenlijk zijn ze het met zijn allen eens dat het welletjes geweest is. Een skivakantie die is omgeslagen in den klucht vol rare kronkels.

En  vraagt Leo, ” ga je direct terug werken Jente”. Hij had zich nog een gekookt eitje halen naar het buffet. Leo is namelijk verzot op gekookte eitjes. En hij moet er van profiteren terwijl het nog kan. Morgen mag hij zijn eitjes terug zelf koken, want zeg nu zelf, voorgekookte eitjes kopen in de supermarkt, daar moet je toch wel erg lui voor zijn. 😉

Wel, pa, ik heb er nog eens goed over nagedacht! Ik denk dat ik mijn droom als skimonitor zal opbergen. Ik wordt binnenkort vader, ik zal er moeten zijn voor het kleintje en ik wil dat Janne terug gaan studeren en kan doen waar ze al jaren van droomt. Mijn job is zo slecht nog niet en euh, ik heb het voorlopig gehad met sneeuw en de bergen. -Ach jongen, het is niet verkeerd te kiezen voor zekerheid voor de toekomst. Je ziet wel tot waar het je brengt.

Janne ziet er moe uit, heel het gedoe heeft haar uitgeput. Neen ze voelt zich totaal niet herboren na tien dagen vakantie. Misschien moeten we volgend jaar toch maar eens verdere horizonten opzoeken, maar we gaan wel zien , tegen dan is het kleintje er. Francine lijkt nog het meest tevreden van allemaal. Ze kan het niet verbergen dat ze in de wolken is met het feit dat ze oma zal worden. Ze is stiekem al rond aan het kijken in de babyafdeling naar kleertjes, speeltjes. Ze vraagt zich af hoe ze zich zullen laten noemen door het kleinkind. Oma en opa was vroeger modern , beter dan de mémé en pépé van vroeger. Maar het heeft ook veel aan originaliteit verloren. Cientje wil het graag een beetje anders dan bij de oma’s die ze kent.  Maar wat? Bompa en bomma, klinkt zo ouwbollig, Papi en Mami zo frans. Bonny en Bompie, mm, deze vind ik zo slecht nog niet en Francine glimlacht terwijl ze kauwt op haar laatste stukje kaas.

Alleen Christine ziet er niet zo vrolijk uit. Ze kreeg deze morgen vrij om afscheid te nemen van de familie Coucke. Ze heeft al een potje gehuild omdat haar hartsvriendin vertrekt en de lieve Coucke’s. Ze zal ze zeker missen. Maar de baas heeft haar beloofd dat ze Cordula mag vervangen , want die gaat met haar lief In Berlijn wonen, ze heeft het helemaal gehad met het boerengat hier in de bergen. Maar eerst moet ze voldoende Duits kennen . Ze hoopt stiekem dat Cordula snel de benen neemt.

Tien minuten later staat iedereen gepakt en gezakt beneden. Jente heeft de wagen voorgereden en het is wringen om er alle bagage in te krijgen. Christine staat met dikke ogen te kijken en te slikken. De baas en zijn vrouw komen persoonlijk afscheid nemen. Ze hebben gisterenavond nog samengezeten om heel het verhaal nog eens te vertellen tussen pot en pint. de wond op de kont van Jente is goed aan het genezen. De verpleegster heeft er deze morgen een extra laag steriel gaas opgelegd, zodat hij niet te veel last zou hebben tijdens het autorijden.

Allee dan zullen we maar zegt Leo en geeft Christientje nog een dikke knuffel. “Hou je goed meisje” en je weet, ik ben een modern mens, ik heb een emal, en ik heb facebook. We houden contact met elkaar! Hij schudt de hand van de uitbaters en dan stapt het bonte gezelschap in de auto. De wagen is volgetankt, de gps in ingesteld, de laatste schnitsels zijn verteerd, en Leo heeft zijn laatste scheet gelaten op Oostenrijkse boden, enfin dat is toch wat het gezelschap hoopt, want ze hebben geen zin in euh, gasgeurtjes in de auto. Francine haalt het doosje tictacs boven en doet een rondje voor iedereen 2 miniskule muntjes, geen 1n geen 3, maar 2 want zo heeft haar Leo het graag.

Jente legt de motor aan, controleert of iedereen zijn gordel om heeft, want hij is niet voor niets een flik. hj rijdt nog eens langs het politiekantoor van Hippach waar hij nog even zijn collega’s treft. Die hem bevestigen dat ze een vlucht hebben om 15.30 en dan ze blij zijn dat ze hier weg kunnen , weg van die geschifte comissaris  Iedereen haalt opgelucht adem. Weg van dat zottenkot hier. En Jente geeft gas, knipoogt naar zijn Janne en weg zijn ze, richting Brugge.

(44) Een Eiffeltoren en het nakend afscheid

 

Het regende in Hippach. Janne had geen zin om nog eens mee te gaan naar Innsbruck om die tentoonstelling over de geschiedenis van de fotografie te gaan bekijken. Dit was een ‘goestje’ van Leo, die zeer in de materie was geïnteresseerd.  Ze voelde zich niet kiplekker en bleef liever wat uitrusten op de hotelkamer. Vanmorgen had ze nog eens serieus moeten overgeven. Het weinige ontbijt dat ze had genomen lag er weer uit. De volgende zwangerschap zou voor Jente zijn, zoveel was zeker.

Christine was ook ter plekke gebleven om wat administratie te regelen rond haar nakende tewerkstelling in het hotel. Werken in de zaal was niet wat op haar prioriteitenlijstje stond, maar beter dat dan het labeur in de matrassenfabriek.

Gisteren nog had Christine het thuisfront gebeld. Moeder was wat gekalmeerd. Blijkbaar had ze eindelijk beseft dat haar dochter volwassen was en dat het geen zin meer had om de duimschroeven te blijven aanhalen. Het zou inderdaad een financieel gemis zijn om elke maand de helft van haar loon te kunnen opstrijken, want dat was nodig om ooit haar financieel streefdoel te bereiken. Al jaren droomde ze ervan om eindelijk eens vijfhonderdduizend Euro spaargeld te hebben staan op de bank. Dan pas zou ze gelukkig zijn, en zou ze die arrogante bankiers eens het vuur aan de schenen leggen door te blijven zagen over de aangerekende kosten en het magere rendement. Naar klanten met geld moeten ze luisteren, die smerige plastrondragers. En als ze hen de kop zou volschijten, zouden ze toch braaf en beleefd moeten blijven of ze zou wel eens de directie aanschrijven én gelijk krijgen. Zo hoort dat in het leven van tegenwoordig. De klant heeft altijd gelijk, hoe scheef hij ook in zijn schoenen staat.

Ze had ook gebeld met haar chef in de matrassenfabriek. Dat ze met onmiddellijke ingang ontslag nam. De ploegbaas had nog gezeverd over het respecteren van de opzegtermijn, maar ze had de raad van Jente’s vader Leo gevolgd en droogjes gevraagd of ze aan de belastingdienst moest melden dat haar zwarte inkomsten die ze wekelijks kreeg zouden droogvallen. “Je kunt godverdomme zien dat je niemand spreekt van dat zwart inkomen, of je zult iets meemaken, vuile wegloopster!” had hij gedreigd. “En als ik zwijg, moet ik dan ook mijn opzegtermijn uitdoen?” had ze gevraagd, met de stem van een onschuldig lammetje. “Maak dat ik je niet meer zie, onderkruipsel!” had hij geroepen aan de telefoon. “Jij zorgt ervoor dat ik mijn tegoed aan vakantiegeld krijg?” was haar laatste vraag. “Op tijd en stond, voor mijn part hoe rapper hoe liever” hoorde ze nog, en de hoorn werd dichtgegooid.

Christine klopte op de kamerdeur van Janne. “Zot, ben je wakker?” Ze kreeg meteen bevestiging, en stapte de kamer binnen. Ze sprong op het uiteinde van het bed, ging zitten, en wiebelde met de benen als een zesjarig kind. “Zeg, Janne, zin om eens met mij naar de wellness te gaan? Ik heb nog nooit van mijn leven in een sauna gezeten, en nu ik het nog gratis kan als ‘hotelgast’ wil ik toch de kans grijpen!”

“Kweet nie, Christje, met die zwangerschap en al, zou ik dit wel doen?” “Mohow ba joaj!” drong Christine aan, “dat kan toch geen kwaad? Pleeeeaaassssseeee…”

Janne dacht nog aan haar actie van een kwartier geleden, toen ze boven de pot hing om haar ontbijt uit te kotsen. Anderzijds dacht ze er ook aan dat hun vakantie er bijna op zat. Ze zou na deze reis toch contact blijven houden met haar beste vriendin, ook al zou ze nu een paar duizend kilometer ver wonen en werken. Ze nam haar laptop en zocht op in hoeverre het wenselijk was om een sauna te nemen ingeval van zwangerschap. De eerste drie maanden van de dracht werd het eigenlijk afgeraden, nadien mocht het, als de tijd in de zweethut beperkt bleef tot maximaal tien minuten per keer.

“How, ’t is goed, zwiennepoat!” zei ze tegen Christine. Ze namen wat toiletgerief mee en sloften naar de wellnessruimte. Het toeval wil dat het echtpaar Schweinenpuppenfleisch opnieuw de enige andere bezoekers waren. Ze hadden toelating gekregen om die middag het hotel te verlaten, en wilden nog één keer profiteren van een heerlijke sauna. “Hoffentlich erleben wir heute kein Abenteuer wie beim letzten Mal, sonst wird unser Chef verrückt!” zeiden mijnheer tegen Christine in de kleedkamer. Het arme meisje begreep niet veel Duits, maar wou toch beleefd blijven in de wetenschap dat ze binnenkort een carrière zou starten in dit hotel en af en toe een mondje Duits zou moeten spreken. Ze antwoordde: “Jawohl, vandage gieng es regenen, morgen komt die Sonne were en m’n klèèn broertje it nie gèren spruuten”. De Schweinenpuppenfleischen wisten niet wat ze hoorden, maar waren toch vertederd door de lieve lach van Christine.

Janne ging vlot uit de kleren, voor Christine lag het anders. Nog nooit had ze dus een sauna bezocht. Ze wist wel dat ze er geen bontjas mocht dragen, maar dat helemaal naakte schrok haar toch wat af. Altijd handig dan om een vriendin mee te hebben om haar wat te initiëren in de wereld. “Allez, Christje, zal het nog lang duren?” lachte Janne terwijl ze de lendenband van haar badjas vastgespte. “Kom, spook, doe dat ondergoed uit en kruip hierin!” zei ze, terwijl ze de badjas van haar vriendin omhoog hield.

Seconden later stonden ze onder de douche. Het hete water dat over hun lichaam gleed deed echt deugd. Het leek alsof de problemen van beide meisjes met het water werden weggespoeld. Christine had afscheid genomen van haar saaie leventje in Meulebeke, Janne had komaf gemaakt met haar achtergrond. Haar werk in de stripclub behoorde definitief tot het verleden. Haar vader, die ze diep haatte, was dood en het kon haar niet schelen wat ze met het lijk zouden doen. Begraven, verassen, voor haar part mochten ze hem vermalen en in corned beef verwerken. Zelf zou ze er niet van eten, al gaven ze haar een miljoen Euro.

Terwijl de Schweinenpuppenfleischen zaten te puffen in het stoombad, ging het tweetal in de hete sauna van tachtig graden zitten. Christine werd vlug gewoon aan het naakt zijn, en al vlug zaten beide meisjes rustig te praten over wat ze verwachtten van hun toekomst. Wat Christine betreft zou het geen toekomst worden met Anton (aus Tirol). Gisteren had ze hem betrapt toen hij dezelfde verleidingstruc als bij haar gebruikt om een nieuw toegekomen Nederlandse toeriste aan zijn haak te slaan. Klaasje heette ze, net als één van die wichten die met K3 kinderharten en die van hun vaders gek proberen te maken. Een kwartiertje later zaten die twee al te zoenen achter een muurtje aan de zijkant van het hotel. Christine had een grote emmer ijskoud water genomen en die over het muurtje gegooid. Het zou hem leren, de smeerlap. Zo spelen met de gevoelens van onschuldige meisjes potverdorie!

De deur van de saunacabine ging open, en een zwarte man kwam binnen. Een heel opvallend type, zeker groter dan twee meter. Met een heel zware stem zei hij het tweetal ‘hello!’. Een Amerikaan, dus. Christine voelde zich ineens niet meer op haar gemak. Hoe ze het ook wou vermijden, haar ogen waren een moment afgedwaald naar de plaats waar de buik van de man van naam verandert. Ze had een mannelijk onderdeel gezien dat qua grootte niet veel moet onderdoen voor de Eiffeltoren, een liggende toch, zo zei haar fantasie. De man stelde zichzelf voor als lid van een basketploeg, die vanavond een oefenmatch zou spelen tegen het team van Innsbruck. De opbrengst zou geschonken worden aan de MS Vereniging, een doel dat ook Janne nauw aan het hart lag omdat ze een kennis had waarbij de MS diagnose op haar vijfenveertigste was gesteld, en waarbij het leven van die dame in één klap in duigen lag.

Janne had de ogen van haar vriendin zien afdalen, en proestte het uit. Die basketter begreep geen woord Nederlands, dus kon ze perfect haar gang gaan. “Zeg, spook, denk nu niet dat élke man zo’n…” Christje vulde aan: “.. Eiffeltoren heeft?”. Het hek was helemaal van de dam, ze konden niet blijven zitten zonder dat die man zich bekeken en uitgelachen zou voelen. Christje probeerde haar eigen accessoires zo goed als mogelijk achter haar armen te verstoppen, en samen verlieten ze de cabine en gingen opnieuw onder de douche staan.

“Zeg, Janne, is Jente ook…”

“CHRISTINE, ben je zot? Ik zou in twee kraken moest Jente met zo’n…”

De schrijver van dit stuk krijgt zelf het schaamrood bij het horen van die conversatie, die zo vlug verloopt dat hij amper tijd heeft de tekst in te tikken met z’n zestigjarige vingers. Hij vraagt dan ook uw begrip voor het feit dat hij de verdere passage van het gesprek overlaat aan de fantasie van de lezer. Is het werkelijk waar dat dames onder elkaar spreken over de euh… lichaamsbouw van hun man? Hij zou wel eens twee keer nadenken vooraleer hij nog eens zelf naar de sauna zou gaan potverdorie.

Na de sauna gingen de twee meisjes nog een koffie drinken in het sfeervolle café van het hotel. Janne schrok zich een hoedje toen haar smartphone de ‘Radetzkymarsch’ liet horen. Potverdikke, die Jente had wraak genomen en haar ringtone gewijzigd. “Janne, mama hier…” klonk het aan de andere kant. “Wanneer kom je terug thuis? Ik zou je dringend eens willen spreken. Nonkel Jack zal erbij zijn. Niets mee inzitten, het is geen slecht nieuws, maar we willen het wel kwijt. Liever nu dan dat je het later via iemand anders moet horen”. “Ma, is het echt zo dringend? Het heeft toch niets met pa te maken, want met die hele uitvaart wil ik niets te maken hebben, ook niet om de waan hoog te houden bij de familie. Eerlijk, ik ben blij dat hij…”. “Sjjjjt, kind, ik denk er juist hetzelfde over. Het heeft niets met je pa te maken, of misschien net wel, of neen, weet je, ik vertel het liever face-to-face.” “Goed, ma, goed dat we elkaar vrijdag zien? Ben je thuis rond tien uur?” “Ja, schat, ik zal er zeker zijn en zie dat ik dan een lekkere appeltaart heb gebakken!”

Janne wist niet waar ze het had. Wanneer had haar moeder haar nog eens ‘schat’ genoemd, en hoe lang was het niet geleden dat ze appeltaart had gebakken? Het was al een succes dat ze met haar zatte botten het gat van de oven vond, laat staan dat ze de kracht zou hebben gehad om deeg te kneden voor een taart. “De mirakels zijn de wereld niet uit,” zei ze tegen Christine. “Kan goed zijn,” antwoordde haar vriendin, “maar het zal toch een hele tijd duren vooraleer ik mijn moeder nog eens wil zien. Eerst mijn draai vinden hier.”

Twijfel sloeg toe in het hart van Christine. Automatisch had ze meegeluisterd met het gesprek van Janne. De laatste dagen had ze gezien hoe haar vriendin niet alleen het hart had veroverd van Jente, maar ook dat van zijn ouders, en nu zelfs opnieuw dat van haar moeder. Straks zat ze helemaal alleen in dit sneeuwgat in Oostenrijk, ver van alle ‘zekerheden’ die ze in Meulebeke had. Een draak van een moeder, dat wel, maar toch een zekerheid in haar leven.  Dat ze die verdomde Anton zonder woorden de bons had gegeven stond ook niet in de planning. Maar een leven met een flierefluiter zei haar ook niets. En toch, toch wou ze niet opgeven en doorzetten en een nieuwe, mooiere toekomst tegemoet zien. Had ze ook geen tante non die op haar drieëntwintigste naar ‘Kongo’ was getrokken om de zwartjes te bekeren? Die sprak toen bijna geen woord Frans en toch heeft ze er een eigen leven opgebouwd. Jammer genoeg was ze gestorven op haar vierenzeventigste toen een stam de missiepost overviel en ze als kannibalen te werk gingen. Ze had het voelen aankomen, want in haar laatste brief had ze geschreven dat de orde haar gevraagd had om gezien het nakende geweld terug te keren naar het klooster in Brugge, maar ze wou dit niet. Ze wou en zou de kinderen van de post beschermen tot het eind. En mocht dit haar dood betekenen, dan zou ze dit erbij nemen, gelukkig dat ze was met het leven dat in haar schoot was geworpen.

Janne leek haar gedachten te lezen. Haar gemoed schoot vol. Het was gewoon de situatie. De prille zwangerschap, haar herwonnen geluk, het feit dat ze straks haar lieve vriendin nog eens moest achterlaten. Als bij een tweeling rolden tranen van beider wangen. Ze versmolten in een innige knuffel en bleven minutenlang zo zitten.

Zo ook vonden Leo en Francine hen, toen ze bepakt en gezakt met de bus waren teruggekeerd van het centrum van Innsbruck. Jente stond buiten te telefoneren met Vandamme, die een zoveelste bui van egoïsme kreeg. “Coucke, wanneer…”

 

 

 

 

 

 

43. Ah. (Ch)

Ah zei Rita tegen Jack, je bent hier al. Galant als Jack was opende hij de koffer van zijn knalgele volkswagen polo, die hij zelf zijne kanarie noemde. Ja hij had hem voor een prikje kunnen kopen, omdat ze hem wegens zijn kleur aan de straatstenen niet kwijt waren geraakt in de garage. Maar Jack was altijd heel tevreden geweest over zijn kanarie, hij bolt nog altijd even goed ondanks dat het beestje er al 147523km heeft op zitten. “Amai Ritake, wat zie jij er goed uit, ” complimenteert Jack zijn schoonzus. HIj gooit haar sjofele reiszak in de koffer en biedt Rita een sigaret aan! Ze slaat het aanbod af en vertelt Jack dat ze niet alleen van de drank is afgekickt, maar dat ze ook maar beslist heeft om meteen te stoppen met roken. Jack vertelt haar dat het lijk van Adam is vrijgegeven en dat hij de aanvrag voor crematie heeft gedaan.Dat het allemaal maar snel van de baan is zegt Rita stilletjes. We gaan daar samen voor zorgen antwoord Jack en slaat met zijn rechterhand  op haar dij.

Rita is vrolijk en begint honderduit te vertellen over haar broer. Geboeid luistert Jack naar haar story. Amai mijn schoonzusje heeft blauw bloed in haar aders lopen, wie weet erf je nog een kasteel of zo!

Jack , even serieus nu, ik moet je iets vertellen! Ik weet niet of ik er goed aan doe om het te vertellen, je bent per slot van rekening ook getrouwd, maar het moet me van het hart. Ik kan niet langer leven met dat geheim. “Oeie grapt Jack, het klinkt ernstig! “Ja dat is het ook Jack”. Rita slikte even en gooide het er dan maar kort en krachtig uit! Jack, Janne is niet de dochter van Adam, ze is jouw dochter. Jack duwt instinctief zijn rem in, hij is duidelijk geschrokken en gaat even aan de kant staan. “Serieus Rita, meende gij da nu?”

Ja Jack, ik ben heel ernstig en ik weet het ook heel zeker. Weet je nog, die keer op de keukentafel? Euh, ja Rita, ik herinner me het nog, ik had je getroost en van ’t een kwam het ander. Allee zeg, Janne is mijn dochter, je had me dat wel eerder konden zeggen Rita! Mja je weet dat ik doodsbang was van Adam. Hij had losse handjes en je hebt me genoeg gezien, met een blauw oog of met een mankepoot omdat ik niet van de trap was gevallen, maar er was van afgeduwd. Maar kijk Jack, laten we alles laten zoals het is. Ik ben er nog niet uit of ik dat wil of kan vertellen aan Janne. Ik moet eerst haar vertrouwen terug winnen. wat heb ik dat kind allemaal aangedaan. Maar kijk, ik ben vastbesloten om voor de rest van mijn leven geen druppel meer aan te raken. Ik wil verder herstellen, heel het huis opkalfateren of het liefst verhuizen. En ik wil iets gaan studeren of een herscholing volgen. Ik wil een heel nieuw leven beginnen. Ik heb zoveel schade in te halen. En ik wil jou dan ook eens aan mijn broer voorstellen. Ik had het nooit verwacht, maar hij is een schat van een man , maar een verstokt vrijgezel hij is euh wel een beetje speciaal. alsof hij bang is van vrouwen of gewoon zo kieskeurig dat geen enkele vrouw voldoet aan zijn eisen. Sneller dan ze zijn uitgepraat staat Jack al voor Rita’s deur. Rita zucht, bon, dan ga ik maar eens binnen zeker en ik zal beginnen met alles wat van Adam is in zakken te stoppen, ik wil niets meer in huis hebben dat me aan hem herinnert. . Dank u Jack voor de lift! Ze geeft hem een klapzoen op zijn wang , loopt naar de achterkant van de wagen , opent de koffer en vooraleer Jack kan reageren heeft ze haar tas er al uitgetild en staat ze haar sleutel uit haar handtas al te vissen. Ze zwaait van ver en Jack glimlacht en denkt, amai wat is Rita veranderd. Toeterend rijdt hij weg.


Ah, roept  Leo, terwijl zijn Francine een puistje uitduwt in zijn lies. Zweetpuistjes, bah, vervelend. Haar scherpe nagels staan afgetekend als rode kromme streeptjes op zijn vel. jaja die nagels van Francine en puistjes uitduwen, dat is een goeie match, ze doet dan ook niets liever.  Het is hun voorlaatste dag vakantie. Het is goed geweest. De familiebanden zijn nauw aangehaald. Janne heeft helemaal hun hart gewonnen en ze blijven verbaasd over het feit dat we nooit mogen oordelen over iemand die een beroep uitoefent dat euh, een beetje minder evident is. Maar bon, ze zijn nu ook niet van plan om het aan de grote klok te hangen aan de familie. Wat niet weet, niet deert , nietwaar. Morgen gaan ze met Janne en Jente naar Insbruck. Ze vinden dat ze nu toch ook eens die mooie stad moeten bezoeken, met het gebouw met het beroemde gouden dak. Leo wil toch ook graag nog wat foto’s nemen, zodat hij zijn collega’s toch eens zou kunnen tonen waar hij heeft uitgehangen. En raar maar waar. De Leo ziet het terug helemaal zitten om te gaan werken. Hij is ontspannen en zijn negatieve gedachten zijn gesmolten als sneeuw voor de zon. Francine is al bezig met alvast de vuile was in de ene valies te proppen, maar ze zal vast een valies vol propere kleren terug mee hebben naar hui. Vrouwen en valiezen vullen, ze hebben altijd veel te veel mee omdat ze er van uit gaan dat het beter te veel is dan te weinig. Ze legt de kleren klaar voor de laatste twee dagen , twee onderbroeken voor Leo, twee voor haarzelf en nog twee tenuetjes voor beiden. De Leo met zijn onderbroeken Francine vindt een boxershort veel sexyer, maar Leo en zijn oude verstokte gewoontjes. Allee lieverdje, we gaan nog twee dagjes genieten en we moeten gelukkig niet meer terug met de nachttrein we kunnen mee met Janne en Jente. Gelukkig heeft hij een audi break anders moesten ze de bagage op het dak gaan binden.


Ah, joepie de poepie! Christje is in de hoogste hemel. Ze mag een maand blijven op proef om te werken in het hotel. Ze kunnen wat hulp in het restaurant gebruiken, nu de overjaarse ober eindelijk op pensioen gaat. Snel loopt ze naar het terras waar Jente en Janne een kopje koffie drinken. Ze staat haast te dansen van contentement om het nieuws te vertellen. Janne, ik mag blijven. Ik ga snel sms-en naar Anton om het nieuws te vertellen. Aja en morgen ga ik niet mee naar Innsbruck, Anton neemt me mee naar zijn oma die op haar 80 ste nog een huisje in de bergen woont en daarna gaan we  kaasfondue eten bij zijn ouders, spannend! Had ik nu maar een half kilootje lekkere Belgische pralines mee en een fles duvel voor de papa. Christje was duidelijk opgewonden en ze vroeg nog snel wat kledingadvies aan haar hartsvriendin, die haar adviseerde om haar gewone jeans te dragen met een fleurig bloesje op. Dat is casual en dat is altijd ok. Doe ik roept ze uit en ze snelt naar haar kamer om snel haar werktenue aan te trekken. Ze mag beginnen bij het avondeten.


Ah, bon, ik moet hier blijven? Maurice is niet happy dat hij terug naar de  cel moet. De Brugse inspecteurs zijn zelf redelijk pissed dat ze nu nog niet terug naar huis kunnen. Verdorie Brugge speelt thuis dit weekend, en ik wil dat niet missen zegt de jongste Brugse inspecteur. Toeme zeg, dat ze hier maar een beetje voortmaken en we met marginale Maurice naar huis kunnen. Aangezien de cel van Maurice verzegeld is voor verder onderzoek wordt hij voorlopig ondergebracht in een twee persoonscel waar ze een bed hebben tussengepropt. “Dat t niet waar is hé” pruttelt hij! Twee gitzwarte hoofden met karbonkels van ogen kijken hem aan. De ene grijnst zijn witte tanden bloot en de andere steekt zijn fuckyou vinger omhoog. Ze zien er uiterst gevaarlijk uit enfin dat vindt Maurice althans. En ze spreken geen Duits, geen Engels noch Frans, dus hij is eraan voor de moeite. Maurice doet het bijna in zijn broek als de zware celdeur dichtvalt en hij alleen achterblijft tussen zijn nieuwe celgenoten die helemaal niet happy zijn dat ze daar ene debiel tussen hen in hebben gepropt. Maurice gaat nog niet om zijn moeder roepen. Hij besloot dan maar in bed te gaan liggen, met het hoofd onder het deken om zich zo onzichtbaar mogelijk te houden. Hopelijk mag hij eindelijk morgen met de agenten terug mee naar Belgie en wie weet komt hij voorlopig vrij tot aan zijn proces. Maurice ligt daar onder zijn grijze deken, met gekruiste vingers en te hopen dat hij zo snel mogelijk in slaap valt .

 

 

(42) Een lijk meer of minder… (tp)

2

Zes uur ’s morgens in een kleine cel van de gevangenis van Innsbruck. Om acht uur zou Maurice Schaubroeck onder begeleiding van de twee Brugse inspecteurs met een auto naar het vliegveld worden gebracht, waarna hij zou worden geplaatst in een tot nader order onbekende Belgische gevangenis. Hij zag het niet zitten. Eerst werd hem geweigerd een postkaartje te sturen naar zijn zieke moeder, nu ook wist hij dat de Action-boodschappentas met al zijn gerei niet meer terug in zijn bezit zou komen. Ingehouden als bewijsmateriaal, verzegeld in een A44-zak (beroepsterm!) en mee met de bagage van de Brugse ordehandhavers.

Er zat maar één iets op om hiertegen te protesteren: hongerstaking. Niettegenstaande een mooie doos muesli voor zijn neus stond, cadeautje van commissaris Hitler, moest hij van zijn hart een steen maken en dit onaangeroerd laten staan.

“Aber probieren sie diese Delikatesse!” had zijn celgenoot aangedrongen, die zelf stond te walgen bij zijn eigen portie uitgewrongen gedrenkt oud brood met zure melk. Je las het al voordien: deze gevangenis was zeker niet te vergelijken met een driesterrenrestaurant.

“’k en echt gin goeste, frettet zelve up aj oenger et!” antwoordde Maurice. Hij nam enkel een slok van de afgeroomde stierenmelk die in een kom stond naast de doos muesli. ‘Hongerstaking is geen dorststaking’ redeneerde hij, hoewel schrijver dezes zich onder geen beding zou laten verleiden voor het proeven van stierenmelk. Maurice was echter niet van de snuggersten onder de Bruggelingen.

De recentste celgenoot van Maurice, Moritz, zat in voorarrest nadat hij op heterdaad betrapt werd bij de verkrachting van een grasparkiet en verstond niet wat Maurice hem had geantwoord. De bewakers lachten vaak over hun komisch duo dat ze hadden opgesloten ‘Maurice und Moritz’. Wat handgebaren maakten de celgenoot duidelijk dat hij zelf een portie van die muesli mocht proeven. Hij schoof zijn uitgewrongen korsten aan de kant, en vulde een kom met het ontbijtspul ‘mit Früchten’, zoals het op de doos stond. Een lepel was niet voorzien. Nadat hij met twee vingers wat stierenmelk tussen de brokken had gemengd nam hij een eerste gulzige hap beet met de palm van zijn hand. Het smaakte ongelooflijk goed, vooral dat speciale extraatje dat erin zat. Moritz kreeg een blik op zijn gezicht die te vergelijken was met het orgasme dat hij zou bereikt hebben met de grasparkiet, had alles verlopen zoals hij voordien had gewenst.

Het bleef niet duren, want de Rodex deed vlugger zijn werk dan Hitler had voorspeld. Allicht had hij de verpakking niet juist geïnterpreteerd, en was de toegevoegde dosis aan de muesli hoger dan bedoeld. Het gezicht van Moritz werd lijkbleek. Hij kreeg hevige spiertrillingen, en begon plots bloed te braken.

Maurice schudde aan de celdeur en riep een bewaker.

“Help, den dien begint ier te kotsen in m’n selle. En stienken dat da doet! Doed em weg, de vuuloart!”

De arme misdadiger had geen idee wat er echt aan het gebeuren was, meer nog, geen idee waaraan hij zelf aan was ontsnapt. De wraak van Hitler was dubbel en dik geslaagd, zij het dat de verkeerde persoon mocht leven met de gevolgen.

Twee cipiers kwamen aangesneld. De eerste hield Maurice in een wurggreep terwijl de tweede zich probeerde te bekommeren over Moritz. “Bitte, schnell, ein Krankenwagen!” brulde de cipier door zijn GSM waarmee hij contact had gezocht met de centrale van de gevangenis. “Celle 23, ich glaube er erstickt!” vulde hij nog aan. Moritz liet een langgerekte scheet, blijkbaar ook een gevolg van het innemen van het rattenvergif. De wind werd gevolgd door een lading mest in de broek, duidelijk zichtbaar voor de drie toeschouwers. Het begon verschrikkelijk te stinken, maar gezien de omstandigheden mocht men het slachtoffer van de laffe aanval niet alleen laten.

Binnen de twee minuten stonden twee ‘Krankenschwesters’ rond het slachtoffer, samen met de gevangenisdirecteur, die besefte dat geen enkele fout mocht worden gemaakt in de afhandeling van ‘Aktion Rattenkopf’, die toch een internationaal karakter had. Hij mocht zich niet belachelijk maken tegenover de politiediensten van dit klote Belgenlandje. En misschien, mocht één en ander meevallen, zou hij worden uitgenodigd op het Internationaal tribunaal in Den Haag, waar hij een speech zou geven over de behandeling van Belgische gevangenen in Innsbruck, als voorbeeld voor de internationale gemeenschap. Het respecteren van de rechten van de mens stond hoog in zijn vaandel. Dat had hij gisteren nog eens op het hart gedrukt bij die ene, lastige gevangene die hij meermaals met een koekenpan op zijn hoofd had gemept nadat andere ondervragingstechnieken niets uithaalden.

“Möchtest du noch ein letztes Wort sagen, bevor du stirbst?” vroeg de directeur heel tactvol aan Moritz, terwijl die op de grond lag te kronkelen van de pijn. Echt een teken van empathie waar veel mensen een puntje konden aan zuigen. Helaas werd die bekommernis niet geapprecieerd door het slachtoffer, want een guts vers bloed uit zijn keel was het antwoord. Nog eens minuten later was de ambulance ter plaatse, en werd Moritz met een brancard afgevoerd naar het ziekenhuis van Innsbruck, waar hij een uur later effectief zou overlijden. De grasparkieten mochten weer gerust ademhalen.

In alle verwarring was onze Brugse Maurice natuurlijk de eerste verdachte van de aanslag. Iedereen wist dat hij niet graag in de cel zat, dat hij er zeker niet graag op de plee zat terwijl anderen er konden op staan toekijken. “Ik kan’ nie kakkn aster anderen ston up te kiekken!” was een uitspraak van hem die men ginds echt niet begreep. De essentie van de (grote?) boodschap was hen echter wel duidelijk. Misschien had Maurice, die toch al één en ander op zijn kerfstok had, een poging gedaan om zijn celgenoot te vergiftigen en op die manier een cel voor zich alleen te hebben? Zou een stom idee zijn, natuurlijk, want voor elke gevangene die een cel verlaat staan er twee te wachten om het gat in te vullen.

Met wilde gebaren maakte Maurice duidelijk dat Moritz slecht gekomen was na het eten van de muesli. Eén van de bewakers nam de doos beet en bekeek hem eens van dichtbij. ‘Met de groeten van de commissaris’ stond erop. De versheidsdatum was nog drie maand in de toekomst, daar kon het niet aan liggen. Als groot muesli-liefhebber rook hij eens aan de inhoud en werd toch iets gewaar wat hij niet herkende. Hij gaf de doos aan een lid van een onderzoeksteam dat ondertussen ook al ter plaatse was gekomen. De man stopte het meteen in een af te sluiten plastieken zak.

De Brugse inspecteurs werden opgebeld met de melding dat de overdracht van gevangene Maurice Schaubroeck nog niet voor vandaag zou zijn.

De gevolgen van een hongerstaking, of tenminste het uitlekken ervan naar de pers, was iets dat het gevangenisbestuur op elk manier wou vermijden. Maurice werd apart geroepen in een kamertje om te onderhandelen hoe ze één en ander konden voorkomen. Dat lukte. Mits Maurice een postkaartje mocht sturen naar zijn mama én hij een nieuwe shopping-tas zou krijgen van Action, gevuld met doe-het-zelf materiaal als een hamertje, een beiteltje en consoorten.

3
Het postkaartje was een in beslag genomen kaartje van een andere gevangene…

——————————————————-

Vandamme, de politiecommissaris uit Brugge, was not amused toen hij het telefoontje kreeg van zijn inspecteurs. Liefst had hij de hele afhandeling gegeven aan Jente Coucke, maar door zijn betrokkenheid in het eerste brandmerk-incident was dit uitgesloten. Daarnet nog had hij Po, de ladyboy van Preute, laten opnemen onder verdenking van medeplichtigheid in de vrouwenhandel. Het bewijsmateriaal was heel licht, zoniet onbestaande, waardoor hij het niet kon permitteren het ventje (of vrouwtje, hoe je het wil) langer dan vierentwintig uur vast te houden. Maar hoe dan ook wist hij dat dat persoontje zo zwak was dat het wel moést kraken mits een degelijke ondervraging van één van zijn elite-inspecteurs. Bleven die nu godverdomme weer eens plakken in dat stomme Hippach. Hij kon de zaak echt niet overlaten aan Fourchette, want die zou het weer eens verbrodden, zoals dat wordt uitgedrukt in Brugge. Misschien kon hij zelf beter de ondervraging leiden?

Gründlichkeit is het ereprincipe van het Oostenrijkse politiekorps. Een paar uur nadat de doos muesli in beslag werd genomen in de cel van Maurice en Moritz was de inhoud al gecontroleerd door het politielab van Innsbruck.

Het leed geen twijfel: de muesli werd aangedikt met Rodex, het beruchte rattenvergif dat wel vaker was teruggevonden bij delicten. Het feit dat de commissaris zijn handtekening mét groeten op de doos had geplaatst maakte hem eerste verdachte. Altijd lastig een commissaris te moeten verdenken en oppakken, maar nood breekt wet.

Berger en Wurst, die beiden zelf wel een postje als commissaris zagen zitten, werden opgedragen om Hitler op te pakken in zijn appartement boven de sportwinkel van Hippach. Hij pruttelde hard tegen: “Willst du mir unbequeme, inkompente Steuerzahler hinterlassen?” probeerde hij zich nog uit de nesten te werken, maar dat hielp niet. Ze stonden hem enkel toe dat zijn vrouw wat logeerkledij in een sporttas mee gaf, want hij zou vanavond niet naar huis komen, hadden Berger en Wurst met zekerheid bevestigd. Ze stak nog een appel en een potje yoghurt bij zijn kledij, en kuste hem nog eens op de wang vooraleer hij geboeid naar de klaar staande auto werd geleid. Onder loeiende sirenes werd hij door het drukke ochtendverkeer van Innsbruck naar een verhoorkamer geleid.

——————————————————————-

In de Brugse verhoorkamer zat Po zwijgend voor zich te staren. Hij wachtte al een uur op ‘iemand’ die hem ging komen verhoren. Wat speet het hem/haar dat hij/zij zich in de val had laten lokken door die vuile Preute. Ja, het had rijkdom opgeleverd, een luizig leventje vol verwennerij, maar wat miste hij de warme sfeer van Thailand. Hoe zalig was het leven tussen zijn zielgenoten in Pattaya. Ja, armoede was er, maar geluk des te meer. ’s Avonds kuieren langs de fel verlichte gevels waar hoertjes hun massagediensten aanboden. Hoe lekker was het om aan een straattentje vers gemaakte noedels en gegrilde kip te eten. Hoe zalig was het om westerse toeristen te verleiden met zijn pas verworven pronte borsten, stevig ingesnoerd in een beha die twee maten te klein was. Een latere operatie zou ‘hem’ pas een ‘haar’ maken. Dat ding dat ook diende om te plassen hing nog in de weg, maar lang zou dat niet meer duren. Hij had via relaties een adresje gekregen van een ‘dokter’ die dit voor hem ging klaarspelen. Wat zijn ouders ervan vonden was van geen belang, het was ZIJN, of binnenkort HAAR leven. En toen kwam dat voorstel van die westerse man met zijn grote manieren. Hij zou hem samen met een paar anderen (vier meisjes en een andere ladyboy) naar België brengen, waar ze een glamoureus leven zouden leiden, ver van alle armoede hier in Pattaya. Bij de overdracht aan de parking van Jabbeke werden de vijf anderen meteen in een versleten bestelwagen weggevoerd, hij moest blijven staan. Preute had hem meteen in het vizier gekregen, en wou eerst een ‘gesprek’ vooraleer hem naar zijn nieuwe werkgever te brengen.

Het ‘gesprek’ bleek een eerste test te zijn, meer dan zomaar een kennismaking. Het eindigde in bed bij hem thuis in Brugge, in zijn copieus gerestaureerde woning in de binnenstad. Hij voelde zijn anus nog branden bij de gedachte aan wat toen heeft plaatsgegrepen in de slaapkamer.

‘Kathoey’ bleef hij hem/haar noemen, ondanks het aandringen op de naam ‘Po’ (een zacht aangeblazen P-h-oo) te gebruiken. Van liefde was absoluut geen sprake, eerder van verslaving aan luxe en een leven zonder financiële zorgen. Tienduizenden Euro’s had hij al doorgesluisd naar zijn familie in Pattaya, maar Preute liet maar begaan. Het zou er niet op aankomen, hij kon het geld toch niet meenemen in zijn graf.

Zijn vuile zaakjes, waar hij zijn inkomen uit haalde, waren Po wel bekend. De details niet echt, maar het was heel duidelijk hoe hij te werk ging. Dit vandaag vertellen aan een politie-inspecteur was niet zijn bedoeling. Of toch niet als ze niet naar hem beginnen te blaffen, want dan zou hij zeker plooien. Hij wist dat, als informatie wordt gelekt, de ‘relatie’ met Preute tot het verleden zou behoren.

Eindelijk ging de deur van de verhoorkamer open, en hij zag…

(41) Life goes on… (tp)

2

Hitler kwam binnen in de winkel in Hippach-Dorf, waar zijn vrouw Gertrude de sportwinkel Schiestel’s uitbaat. Het doorschijnende zakje met rode inhoud sprong natuurlijk direct in het oog van zijn eeuwig nieuwsgierige dame.

“Was hast du mitgebracht, Dolf, mein Schatz?” vroeg ze, hopende dat haar vent nu eindelijk eens iets voor haar had gekocht. In zevenentwintig jaar huwelijk was dit nog nooit gebeurd. Het koppel kon niet worden omschreven als het meest romantische van Hippach, om het zacht uit te drukken.

“Eine grosse Schachtel mit Viagra-Pillen, bist du jetzt zufrieden?” antwoordde Hitler naast de kwestie. Hij wou zijn vrouw in geen geval betrekken bij wat hij van plan was met Maurice. Toch wou ze het spelletje meespelen en riep hem na, terwijl hij de trap naar boven opklauterde.

“Bitte ruf mich an, wenn ich mein dursichtiges Schlafkleid mit rose String anziehen muss, mein Liebling!”

De commissaris was te druk om zich aan te trekken van de woorden van de andere helft van zijn trouwboek, ging de logeerslaapkamer binnen en deed de deur op slot. Het geheimzinnige boodschappentasje werd geopend, en Hitler haalde er voorzichtig de rode gezinsverpakking ‘Rodex 200’ uit, zoals jullie allemaal weten een zeer efficiënt rattenvergif. Onderin die zak zat een pak Vitalis Knusper Müsli van Oetker, niet per toeval de lievelingskost van Maurice als alternatief voor de vettige toestanden die de gevangeniskantine normaalgezien opdiende voor hun logés. Het vervolg laat zich raden. Hij prutste de muesli-verpakking voorzichtig open, mengde die met een flinke dosis rattenvergif en sloot het boeltje weer dicht op een manier waarop niemand kon zien dat er werd mee geknoeid. De opleiding tot commissaris was toch ergens nuttig voor geweest.

Uit zijn binnenzak haalde hij een pot uiercrème, waarmee hij voorzichtig de bil insmeerde waar hij een brandmerk had ontvangen van Maurice. Hij kon het echt niet verkroppen dat de rechter in kortgeding uitgesproken had dat hij, de commissaris zelve, verantwoordelijk was voor hetgeen met hem was gebeurd, omdat hij bij de reconstructie opdracht had gegeven om letterlijk alles opnieuw te doen zoals het die keer gebeurd was, toen Maurice een rattenkop op het achterwerk van Jente had geplakt. Maar wees gerust: hij zou wraak nemen en dat ventje uit Brugge zou er niet goed van zijn. Na analyse van de gebruiksaanwijzing wist hij zeker dat de portie Rodex onvoldoende was om hem te doden, maar dat Maurice onherstelbare schade zou oplopen aan zijn darmgestel. Hij mocht het voelen voor de rest van zijn leven, de leperd! Hij belde een jong inspecteurtje uit zijn dienst op en vroeg hem de pak muesli te komen ophalen. “Ein Abschiedsgeschenk vom Kommisar” had hij op de doos geschreven in roze viltstift. Zijn afdeling wist dat hij morgen niet zou komen werken, hij wou niet meer geconfronteerd worden met zijn nederlaag.

“Geef hem deze muesli als laatste ontbijt!” gaf hij order aan zijn loopjongentje, en plofte de deur voor zijn neus dicht ten teken van Oostenrijkse gastvrijheid.

——————————-

Ondertussen zat inspecteur Paul Fourchette het eindverslag uit te tikken over het onderzoek naar het wrak van de auto van Adam Schauvliege, beter gekend als de Rat van Brugge, die onlangs zijn auto te pletter reed in de Smedenstraat. Paul was nog zo’n inspecteur van de oude stempel, zo’n man die Vandamme liefst zo vlug mogelijk uit zijn korps zou schoppen. Doordat hij met zijn anciënniteit in een hogere wedde-categorie zat kostte hij de dienst veel geld en bracht heel weinig op, toch in de ogen van de commissaris.

Hij tikte nog op zo’n oude mechanische Remington-schrijfmachine. De kletterende klank telkens hij in recordtempo de toetsen aansloeg was een gesel voor het ganse team. Meermaals had men geprobeerd zijn machine te vervangen door een elektrische machine, later door een laptop. Liefst deden ze dit tijdens zijn verlof. Dan zei men dat ‘de informaticadienst’ het toestel had verwisseld, maar telkens weer slaagde Paul erin zijn Remington opnieuw uit de kelder te halen. Als compromis had hij wel aanvaard om geen carbonpapier meer te gebruiken, zodat hij minder hard moest slaan op de toetsen.

“De genaamde Adam Schauvlieghe, geboren te Brugge op 4 april 1964, was zo zat als een gieter toen twee leden van een Amerikaanse pompierbende zijn dode lichaam uit het wrak van zijn Peuzoo sleurden. Hij was niet alleen zat, maar ook redelijk dood, zo bleek toen één van de Amerikaanders zijn mond op de zijne plakte en er middels zijn longen adem probeerde in te blazigen”. Tja, een schrijffoutje schrijven tussenin was iets wat Fourchette niet kon laten.

“Bijlage twaalf is het rapport van de wetsdokter, die het lichaam van Adam in stukken heeft gesneden en één en ander heeft onderzocht. Bleek dat, was hij niet tegen die gevel gekwakt, hij toch niet meer lang zou hebben geleefd want zijn lever was om zeep en zijn longen waren precies tarmaczakken. In de auto vonden we naast enkele kleine hoeveelheden drugs, twee literflessen gin, vier begonnen pakjes groene Michel ook een spaarbon van de Lidl, waar hij mits twee zegeltjes zou recht hebben op een servies van zeven glazen. In de koffer lag ook een dode hond, die naar schatting zeker al acht maand lag te rotten. Voor de rest hebben we niet echt iets gevonden, wat redelijk logisch is, gezien het onderzoek op zondagmorgen gebeurde en er ’s namiddags een voetbalmatch was in het Olympiastadion, een oefenderby eigenlijk tussen Club en Cercle Brugge (eindstand: 0-7).”

Fourchette vond dat hij nu wel een pauze had verdiend, en ging zich zetten in het kleinste kamertje. Hij voelde al een kwartier dat een bruine ridder klaar zat om te ontsnappen uit zijn anus. Na menig geprot kwam de sausijs naar buiten piepen en viel hij met een luide plof in het water. Terwijl hij toch op het porselein zat, loosde hij ook nog wat water. Met drie maal vier blaadjes Popla 2000 veegde hij zijn reet, waste zijn handen en ging weer aan zijn bureau zitten om het eindverslag klaar te maken voor zijn commissaris. Het zou weer parels voor de zwijnen worden, want die Vandamme moest nog voor de eerste keer iets positiefs vertellen in verband met zijn werk.

———————————————————————–

Jack Schauvliege, zoals jullie weten de broer en vertrouwenspersoon van de Rat, hing aan de telefoon met Patokh Ibramigov, verantwoordelijke van de Global Bank in Panama. Hij diende eerst op een reeks gecodeerde vragen te antwoorden vooraleer hij in vertrouwen werd genomen. Na het overlijden van Adam moest één en ander op orde worden gesteld. Liefst had hij de miljoenen van zijn broer gewoon laten overkomen naar België. Destijds had Adam hem verteld dat een Belgische bank (ondertussen in faling) hem had geholpen geld door te sluizen, maar na het bekendmaken van de Panama-papers wou niemand zich daar nog aan verbranden, met inbegrip van alle Belgische banken en financieel adviseurs. Hij kreeg te horen dat het geld er nog was, en dat dit door het overlijden van Adam toekwam aan Rita Schauvlieghe en haar dochter Janne. Jack zelf had vroeger volmacht op de rekeningen, maar door het overlijden van de Rat was die komen te vervallen.
‘Dan maar beter ten gepaste tijd alles vertellen aan Rita’, dacht Jack, die duidelijk begreep dat er geen kans in zat dat hij een graantje kon meepikken van de verstopte rijkdom van zijn broer zaliger.

———————————————————————

Commissaris Vandamme hing aan de telefoon met Jente Coucke. Of Jente maandag opnieuw aan de slag kon gaan, want door al dat Rattenkopf-gedoe was de helft van het korps bezig met die ene affaire, terwijl hij nu alles op alles wou zetten op het inrekenen van Preute, zoals gekend nu de zwaarste figuur in de Brugse onderwereld.

“Door al dat jodelahiti-gedoe met jullie familie ben je een beetje de ernst van de zaak aan het vergeten, hé, mijn beste…”

“Commissaris, mag ik je eraan herinneren dat ik met verlof ben…”

“Coucke, hoe dikwijls heb ik al gezegd dat je 24/7 beschikbaar moet zijn. Ik veeg jullie vakanties vierkant aan mijn reet, ofwel ben je gemotiveerd voor je job ofwel ben je het niet, en dan kun je net zo goed het verkeer gaan regelen op het nieuwe Brugse Zand, waar het momenteel een ongeziene soep is…”

“Dus mijn verlof telt mee als gewerkte dagen, dan, chef?” vroeg Jente.

“Ben je nu helemaal met de kop tegen de luster gelopen, Coucke?? Wat denk je wel…”

“Nee, chef, ik ben met mijn gat tegen een rattenkop gelopen.”

De telefoon werd dichtgegooid, Jente wist dat Vandamme een kwartiertje later wel zou terugbellen.

————————————————

 

Rita Schauvlieghe sloot de sporttas, waar ze haar spulletjes hadt verzameld die ze nodig had voor haar verblijf in het psychiatrisch instituut. De dokter gaf haar toelating naar huis te gaan. Ze had bewezen ook te kunnen leven zonder alcohol, zeker nadat ze had vernomen dat de Rat het leven had gelaten. Ze was klaar om een nieuw leven te beginnen, samen met de mensen om wie ze werkelijk gaf. Haar dochter uiteraard, recent ook haar broer. Veel geld had ze niet, maar de zin om weer iets te doen met haar leven gaf haar vleugels.

———————————————————–

 

Christje Vanhecke voelde zich openbloeien bij de situatie die ze de laatste dagen mocht meebeleven. De manier waarop ze door de familie Coucke werd ontvangen was nooitgezien. Zo’n warme familie had ze nog nooit meegemaakt. Ze was getuige hoe de (als je het zo mag noemen) misstap van Janne met de mantel der liefde werd bedekt. Ze had Anton leren kennen, zij het nog heel pril, maar ze voelde dat er meer in zat. Ze had al eens geïnformeerd bij de familie Egger of ze eventueel bij hen aan de slag kon als stagiair. Al was het maar om te beginnen met bedden opmaken of Vlamingen te ontvangen in het hotel. Slechter dan hun dochter die tegen haar zin aan de receptie zat zou ze het zeker niet doen.

——————————————————-

Maurice was uitermate depressief. Hij had de cipier gevraagd of hij een ansichtkaartje mocht sturen vanuit zijn cel naar zijn zieke moeder. Dit werd hem geweigerd. Het mensje wist nog niet dat hij in de bajes zat. Het haar vertellen zou waarschijnlijk nefast zijn voor haar zwakke hart. Hoe zal hij haar vertellen dat hij straks vastzit in Ieper, in Gent of in Brugge? Wie zal haar boodschappen doen, wie zal haar pampers aankopen? Wie zal gaan wandelen met haar hondje? Wie zal??

 

 

 

 

 

 

De markt en zo….

Na veel gebakelei  tussen de Brugse flikken en de Österreicher polizei, is er dan toch een beslissing gevallen.  Het was met dikke tegenzin dat Hitler Maurice naar België moest laten gaan. Dat had een rechter in kortgeding beslist.  Maurice wist niet of dit voor hem nu goed nieuws was of slecht nieuws. Zou het zoveel beter zijn in de Belgische gevangenis. Geen idee, hij hoopte in elk geval dat het eten er beter zou zijn. Hij had immers genoeg van die kartoffelknudels en  van die vettige schnitsels, die precies 3 keer opgewarmd waren, derdehandsvoedsel, euh, of hoe noemen ze dat  vraagt Maurice zich af. De brugse flikken mogen van Vandamme nog een nacht langer blijven om zodoende Maurice terug mee te brengen . Ze zouden nog bericht krijgen, waar Maurice zou moeten afgeleverd worden, Gent of Ieper?

Hitler zinde op wraak, “ich werde es immer noch bekommen”, en hij maakte een plannetje. Morgen na het ontbijt, werd Maurice gelost , het moest dus vanavond nog gebeuren, hij kon als ontbijt morgenochtend onmogelijk balletjes in tomatensaus laten serveren.  HItler verontschuldigde zich bij zijjn collega’s, hij moest nog een boodschapje doen. Er was markt in Hippach, daar zou hij zijn “ding” wel vinden!

De markt was om de hoek  van de straat , hij liep met zijn hoofd naar beneden, de handen in de zakken, toen hij pardoes op Leo coucke aanliep. Die was met heel het gezelschap naar de markt gekomen! Hij was opgetogen , net als zijn Cientje, als hij hoorde dat er markt was. Elke week was er gewone markt, groenten, fruit, frische fische, maar in de zomer was er ook nog “kulturmarkt”en laat de Couckes daar nu enorm zot van zijn! Leo is vooral op zoek naar “senf”, sinds een paar jaar maakt hij er een punt van om telkens een potje plaatselijke mosterd te kopen in de plaats van kitcherige souvenirs,  magneten allerhande, likeurglaasjes, sleutelhangers, allemaal made in China, pokkeduur .En het is bovendien allemaal gerief dat al snel in de weg staan en in de vuilnisbak of in de kringloopwinkel belandt. Neen, neen, daar doen Leo en Francine niet meer aan mee! Mosterd, dat kan iedereen gebruiken, ieder land heeft wel zijn smaakje, hoewel ik nu niet echt weet of er zo makkelijk mosterd te vinden zou zijn in China. Verdorie, Leo zal een probleem hebben als hij ooit een rondreis in het grote China maakt. Dan zal hij wellicht moeten overschakelen op zoetzure saus! Nu ja, dat zou ook niet echt slecht smaken op een pistolet met een goei schel, Brugse kaas. Als er maar niemand spleetogen van krijgt!

Hitler maakte zich al snel uit de voeten, die Westfluten konden toch niet eens deftig Duits spreken, dat ze meine  arsch kussen dacht hij .

Ook Christje van Meulebeke was heel enthousiast op de markt. Ze was helemaal gek van de Oostenrijkse cultuur en ze zou samen met Janne uitkijken voor een tirolerkleedje die voor haar budget betaalbaar is.  Die verruckte Bergziege, de winkel waar Janne is geweest,  is heel erg gekend. De kleedjes worden daar ter plekke genaaid. Christine zal wel genoegen nemen met een made in China kleedje, met plastieken knopjes in de plaatse van de mooie metalen knopjes in de vorm van edelweisjes. Jente en Janne waren aan het zien bij de dame die zelf kindertruitjes breide , maar Janne houdt toch meer van modern dan van ouderwetse truitjes. En dan nog, de dame verkoopt slechts twee kleurtjes, rose en bleekblauw, en ze weten helemaal nog niet of het een jongen of een meisje wordt. Een eindje verder staat een man in tirolerhoze bierpinten met tinnen dekseltjes te graveren op bestelling. Gaaf gedaan vindt Leo, Zou leuk zijn voor mijn  buurman, . Soit, de Wim moet maar content zijn met zijne mosterd, t enige wat hij moet doen is de rolluiken, één keer naar boven trekken, en s avonds terug naar beneden laten. Meer moet hij niet verwachten voor zijn bewezen diensten.  Francine trekt aan Leo zijn mouw terwijl hij geboeid is door de meneer en zijn graveerpen, die lieflijke edelweisjes graveert in het glas. Leo, hier, “kiek ne kji, mostoard in schattige potjes” en warempel een heel kraam met mosterd in bierpotjes met een kurk op die het schuim op het bier moeten voorstellen.  Leo en Francine staan als een stel verliefde pubers mosterdpotjes uit te zoeken. Leo gromt, , mmm, een beetje duur , maar kom, we gaan nu ook den duts niet uithangen. Hier si, doe maar dat middelmaatje voor de Wim, dat is meer dan genoeg, hij staat al dik genoeg. Francine schiet in de lach en zegt, maar Schatteke toch van mosterd wordt je toch helemaal niet dik, je kan er trouwens ook niet te veel van eten, want naar t schijnt zou het straffe mosterd zijn. Mm, jammer dat we niet kunnen proeven murmelt Leo.

Christine komt glunderend met haar zak aangezwaaid! Francine, wil je mijn kleedje zien? Natuurlijk lieverd, toon maar vlug. Francine geeft Christine en haar kleedje een goedkeurende blik.  Het zal je heel goed staan Christje zegt zen uwen Anton zal content zijn.

Als ze op de groentenmarkt komen zien ze Hitler, grote stappen zetten om zo snel mogelijk weg te komen. Hij heeft een doorschijnend zakje in de hand gefrommeld waar iets roods in zit.

Jente en Janne steken de schouders op en vragen zich af waarom hij er zo snel vandoor gaat met een zakje van de groentenmarkt, zo’n geheim kan het toch niet zijn.  Leo roept, zeg mannen, ik heb dorst, jullie ook? Het is tijd voor een aperitiefje! Laat ons op het terras van Restaurant Pili Pili gaan zitten, het ziet er daar gezellig uit.

Gepakt en gezakt namen ze plaats op het terras,  en maakten een keuze uit de drankenlijst.